Opwaartse druk op langetermijnrentes houdt aan
De groei van de economie van de EMU-landen ligt laag, rond de 1%. Ook voor volgend jaar wordt een lage groei verwacht. Dit ondanks een vrij ruim fiscaal beleid. Het probleem is alleen dat het ruime fiscale beleid vooral door hogere defensie-uitgaven wordt veroorzaakt.
Veel van de defensieopdrachten verdwijnen namelijk naar het buitenland, waardoor ze een zeer lage en vaak zelfs een negatieve multiplier hebben. Verder is het monetaire beleid neutraal en wordt er in Europa relatief minder geïnvesteerd in alles rondom AI.
Een belangrijk negatief punt is ook een vrij zwakke concurrentiepositie van de EMU-landen, waardoor er maar weinig ruimte is voor reële loonstijgingen.
Vanuit deze hoek bekeken zou men dan ook eerder aan verlaging dan aan verhoging van de rente moeten denken.
Het probleem is alleen de inflatie. Bij de huidige olieprijs zal deze voorlopig op 3 à 3,5% blijven hangen. Al helemaal als de voedselprijzen, zoals verwacht, gaan stijgen. Dit betekent dan ook dat het goed mogelijk is dat de ECB de rente de komende kwartalen nog één keer, zo niet twee keer, met 0,25% verder zal verhogen.
Op zichzelf vormt dat dan ook een positieve achtergrond voor de euro, zij het dat het maar de vraag is of dat voldoende opweegt tegen:
- de lage groei;
- de minder dynamische AI-sector en minder investeringen daarin;
- de geringe implementatie van de aanbevelingen van het Draghi-rapport van twee jaar geleden om de concurrentiekracht van Europa te verbeteren en te zorgen voor een hogere toename van de productiviteit;
- de inkrimping van de beroepsbevolking – in de VS groeit deze nog enigszins – als gevolg van de vergrijzing en de beperking van de immigratie;
- de onzekerheid rondom de toekomst van de Franse overheidsfinanciën. Gezien moet nog maar worden of daar voldoende ingegrepen gaat worden voordat er een crisis ontstaat.
Hier staat echter weer tegenover dat, net zoals in de VS, de Europese langetermijnrentes onder flinke opwaartse druk staan als gevolg van angst voor uit de hand lopende overheidsfinanciën, vrees voor hogere inflatie als gevolg van stijgende olie- en voedselprijzen, alsmede verslechterende vraag-aanbodverhoudingen op de obligatiemarkt.
Zet men dit alles af tegen de omstandigheden in de VS, dan heeft de Amerikaanse munt ook te kampen met een aantal negatieve punten:
- een wat terugvallende economische groei;
- de laatste tijd ook een meevallende inflatie;
- tekorten op de overheidsfinanciën en de lopende rekening. Dit betekent dat veel buitenlands kapitaal naar de VS moet toestromen, wil de dollar niet in koers dalen. Hier vormt de politiek van Washington zeker een probleem, want steeds meer buitenlandse kapitaalbezitters durven niet meer zo veel in dollars aan te houden.
Uiteraard komt dit er anders voor te staan, mocht de olieprijs snel verder gaan oplopen. Dit verwachten we echter niet, omdat Trump tot de verkiezingen alles in het werk zal stellen om een felle stijging van de olieprijs te voorkomen.
Iran daarentegen heeft wel belang bij stijgende olieprijzen, omdat dit Trump steeds verder 'in de hoek drijft'. De olieprijs mag echter ook weer niet dusdanig hard stijgen dat er een wereldcrisis door ontstaat. Veel landen zouden zich dan tegen Iran richten en ook de exportinkomsten van Iran zouden daardoor sterk afnemen.
Een olieprijs tussen circa $80 en $90 lijkt daarom voorlopig voor beide partijen, onder de huidige omstandigheden, het best haalbare. De prijs ligt nu boven deze range, maar niet genoeg om veel verschil uit te maken. Dit zou dan betekenen dat de opwaartse druk op de inflatie wel aanwezig blijft, maar niet groot wordt. (Binnen dit kader past ook dat steeds meer blijkt dat er meer olie door de Straat van Hormuz heen gaat dan men oorspronkelijk dacht. Klaarblijkelijk laat Iran dit toe, omdat anders de olieprijs te veel zou stijgen.)
De eindconclusie blijft daarom dat er vanuit de hoek van de economische groei en de inflatie – althans voor zover het de komende tijd betreft – niet voor veel hogere rentes gevreesd hoeft te worden.
Hier staat echter tegenover dat:
- de Amerikaanse economie beduidend harder groeit dan die van de EMU-landen;
- de boom bij de investeringen rondom AI ook veel kapitaal vanuit het buitenland aantrekt;
- de rentes in de VS hoger staan.
Alleen dit laatste punt heeft ook een keerzijde. Om dezelfde redenen als voor Europa staan ook in de VS de langetermijnrentes onder opwaartse druk. Gezien de hogere groei echter meer dan in Europa. Dit jaagt de Amerikaanse regering de stuipen op het lijf. Men is doodsbang dat hogere langetermijnrentes de aandelenkoersen omlaag gaan drukken en het overheidstekort – door veel hogere rentebetalingen – gaan opdrijven. Lagere aandelenkoersen remmen vervolgens de economie af, waardoor minder belastingopbrengsten voor een nog groter tekort gaan zorgen, enzovoort. Met andere woorden: stijgende langetermijnrentes kunnen gemakkelijk tot een economische crisis leiden.
Begrijpelijk dan ook dat Washington begonnen is meer langlopende overheidsobligaties op te kopen en dit te financieren met meer uitgifte van kortlopend papier. Het probleem is alleen dat dit soort kunstmatige ingrepen altijd maar kortstondig werken. Net zoals bij valuta-interventies. Als men de langetermijnrentes langer omlaag wil drukken, moeten eerst de fundamentals verbeterd worden: het scherp terugdringen van het overheidstekort en zorgen voor meer vertrouwen in de Amerikaanse politiek bij buitenlandse kapitaalbezitters.